Ingeperkt gebruik: verspreiding van “vreemd DNA” voorkomen

Subcommissie Landbouw

De subcommissie Landbouw besteedde in 2015 bijzondere aandacht aan het onderwerp “ingeperkt gebruik”. Doordat het uitlezen van hele genomen steeds goedkoper wordt, komen steeds meer verschillende dieren en planten binnen het bereik van moleculair-biologisch onderzoek. Organismen die vroeger niet voor onderzoek werden gebruikt omdat hun genoomsequentie niet bekend was, worden nu wel als modelorganismen gebruikt. Het uitlezen van een volledig genoom, ook al beloopt de lengte daarvan enkele honderden miljoenen basen, is namelijk geen beperkende factor meer. Voor het beantwoorden van vragen over de functie van genen is het vaak wenselijk om te werken met genetisch gemodificeerde (gg-) lijnen van het betreffende organisme. Het doen van proeven met gg-planten en andere gg-organismen is strikt gereguleerd en vergunningsplichtig. Bij werkzaamheden in kassen, klimaatkamers of in laboratoria (ook wel “ingeperkt gebruik” genoemd) adviseert de COGEM vaak of speciale maatregelen vereist zijn om verspreiding van “vreemd DNA” in de omgeving buiten de proef te voorkomen.

Verspreiding van “vreemd DNA” kan op verschillende manieren worden voorkomen. Er is sprake van biologische inperking als het organisme onmogelijk kan leven in de omgeving buiten de proef, bijvoorbeeld vanwege een ingebouwde speciale behoefte die alleen in de experimentele situatie beschikbaar is. Bij fysieke inperking worden er maatregelen genomen die het ontsnappen van gg-organismen tijdens of na afloop van de werkzaamheden voorkomen, bijvoorbeeld door insectengaas aan te brengen voor ventilatieopeningen of door sluisdeuren in de toegang. In de praktijk wordt gewerkt met vier veiligheidsniveaus die elk een bepaald pakket aan maatregelen betreffen.

Bij verschillende gelegenheden kwamen in de subcommissie Landbouw in het jaar 2015 vragen aan de orde over ingeperkt gebruik. Zo is bijvoorbeeld de lijst met inperkingsmaatregelen voor gg-planten opnieuw tegen het licht gehouden. Ook heeft de COGEM opnieuw gekeken naar de classificatie van verschillende organismen die gebruikt worden bij genetisch onderzoek en pathogene eigenschappen hebben. O.a. heeft de COGEM geadviseerd dat werkzaamheden met sommige klasse-2 pathogene schimmels op ML-I inperkingsniveau uitgevoerd kunnen worden met als aanvullend voorschrift dat open handelingen in een veiligheidskabinet moeten worden uitgevoerd.

Een speciale problematiek betreft het werken met gg-planten in kassen. Daarbij wordt niet alleen de eis gesteld dat het gg-materiaal niet kan ontsnappen, maar ook dat er in de kas geen ongedierte aanwezig is. Dat betekent dat insecten- of mijtenplagen bestreden moeten worden, zodat voorkomen wordt dat “vreemd DNA”, bijvoorbeeld in het stuifmeel van de plant, via ontsnappende insecten buiten de ingeperkte ruimtes terecht kan komen. De bestrijding vindt meestal plaats met chemische middelen, maar er zijn situaties waarin chemische plaagbestrijding ineffectief of om andere redenen ongewenst is. Plagen kunnen ook biologisch bestreden worden met behulp van natuurlijke vijanden (roofwantsen, roofmijten, parasitoïde wespen). Wanneer echter naast de plagen ook natuurlijke vijanden actief zijn binnen de ingeperkte ruimte, kan de kans op verspreiding van stuifmeel veranderen wanneer ook de natuurlijke vijanden stuifmeel kunnen verspreiden. Bovendien zijn de plaagorganismen bij biologische bestrijding in gemiddeld hogere aantallen aanwezig dan bij chemische bestrijding. De COGEM zette een onderzoeksproject uit om uit te zoeken of biologische bestrijding van plagen op gg-planten een groter risico met zich meebrengt. Hieruit bleek dat sommige biologische bestrijders mogelijk stuifmeel zouden kunnen verspreiden. Om een beeld te krijgen van de hoeveelheid stuifmeel die biologische bestrijders zouden kunnen verspreiden, heeft de COGEM opdracht gegeven voor experimenteel onderzoek naar een ‘worst-case scenario’. Hieruit blijkt dat roofdieren die ingezet worden om trips op Arabidopsis te bestrijden, een klein aantal stuifmeelkorrels bij zich dragen. Het feit dat zowel plagen als predatoren niet-verwaarloosbare aantallen stuifmeelkorrels met zich mee kunnen dragen, betekent niet automatisch dat de kans op onbedoelde verspreiding bij biologische bestrijding toeneemt. De kans op verspreiding van stuifmeel hangt sterk af van de effectiviteit van de plaagbestrijding, de ontsnappingskansen, het gedrag van de plaag en de gebruikte natuurlijke vijanden.

De belangrijkste vraag bij de inzet van natuurlijke vijanden voor plaagbestrijding van gg-planten is de vraag of de bestrijding werkt. Als de aantallen plaaginsecten en hun vijanden op een laag niveau schommelen, lijkt de invloed van biologische bestrijding op de verspreiding van stuifmeel vooralsnog beperkt.

Ongetwijfeld zal het onderwerp “ingeperkt gebruik” ook in 2016 weer herhaaldelijk de revue passeren. Door het regelmatig aanpassen van de lijst met organismen en het kritisch bekijken van de inperkingsmaatregelen en het uitzetten van korte onderzoeksprojecten zorgt de COGEM ervoor dat haar risicobeoordelingen gelijke tred houden met de ontwikkelingen in de wetenschap.

Prof. dr. Nico van Straalen
Voorzitter subcommissie Landbouw